‘Mijn vader had al vijf dochters toen mijn moeder weer zwanger werd. Hij ging een weddenschap aan met zijn vrienden: zijn volgende kind zou een jongen zijn. Zijn eer en motorfiets stonden op het spel. Ik werd geboren, en mijn vader noemde me… Bingo.’

Als jonge warmbloedige Roma uit Moldavië, moet Bingo een Nederlandse winter zien te overleven. Hij werkt illegaal via de Turkse koppelbaas Saït in de sloop samen met twee collega’s: Sergei is een oud-bokser uit Rusland en Umar is een uitgeprocedeerde vluchteling, leraar biologie uit Tsjetsjenië. Bingo deelt met hen een klein flatje in de Haagse wijk Transvaal.

De tijd verstrijkt volgens de routine van het illegale bestaan: lange dagen in het grijze landschap van de sloop, de koude nachten als de verwarming het weer eens niet doet. En de voortdurende spanning tussen drie mannen van diverse afkomst, die plotseling elkaars enige houvast zijn. Binnen deze wereld houdt de energieke en ietwat naïeve Bingo zich staande, door te blijven geloven in een betere toekomst. Hij leert woordjes Nederlands en dolt met de koppelbaas.

Een ernstig ongeluk op het werk zet de wereld van de jonge Roma op zijn kop – Sergei raakt zwaargewond. Bingo beseft voor het eerst hoe kwetsbaar zijn positie is als illegaal. Het wordt ineens menens.
Als hij erachter komt dat de koppelbaas van plan is Sergei aan zijn lot over te laten, gaat Bingo de confrontatie aan.
Gevolg is dat Bingo op straat belandt.